Tegenwoordig en verleden deelwoord - overvallend - overvallen Presens - overval - overvalt - overvalt - overvallen - overvallen - overvallen Imperfect - overviel - overviel - overviel - overvielen - overvielen - overvielen Toekomende tijd I - zal overvallen - zult overvallen - zal overvallen - zullen overvallen - zullen overvallen - zullen overvallen Conditionalis I - zou overvallen - zou overvallen - zou overvallen - zouden overvallen - zouden overvallen - zouden overvallen Perfectum - heb overvallen - hebt overvallen - heeft overvallen - hebben overvallen - hebben overvallen - hebben overvallen Voltooid verleden tijd - had overvallen - had overvallen - had overvallen - hadden overvallen - hadden overvallen - hadden overvallen Toekomende tijd II - zal overvallen hebben - zult overvallen hebben - zal overvallen hebben - zullen overvallen hebben - zullen overvallen hebben - zullen overvallen hebben Conditionalis II - zou hebben overvallen - zou hebben overvallen - zou hebben overvallen - zouden hebben overvallen - zouden hebben overvallen - zouden hebben overvallen Imperatief - - - overval - - - - - overvalt - -