Tegenwoordig en verleden deelwoord - uitvissend - uitgevist Presens - vis uit - vist uit - vist uit - vissen uit - vissen uit - vissen uit Imperfect - viste uit - viste uit - viste uit - visten uit - visten uit - visten uit Toekomende tijd I - zal uitvissen - zult uitvissen - zal uitvissen - zullen uitvissen - zullen uitvissen - zullen uitvissen Conditionalis I - zou uitvissen - zou uitvissen - zou uitvissen - zouden uitvissen - zouden uitvissen - zouden uitvissen Perfectum - heb uitgevist - hebt uitgevist - heeft uitgevist - hebben uitgevist - hebben uitgevist - hebben uitgevist Voltooid verleden tijd - had uitgevist - had uitgevist - had uitgevist - hadden uitgevist - hadden uitgevist - hadden uitgevist Toekomende tijd II - zal uitgevist hebben - zult uitgevist hebben - zal uitgevist hebben - zullen uitgevist hebben - zullen uitgevist hebben - zullen uitgevist hebben Conditionalis II - zou hebben uitgevist - zou hebben uitgevist - zou hebben uitgevist - zouden hebben uitgevist - zouden hebben uitgevist - zouden hebben uitgevist Imperatief - - - vis uit - - - - - vist uit - -