Tegenwoordig en verleden deelwoord - uitpuzzelend - uitgepuzzeld Presens - puzzel uit - puzzelt uit - puzzelt uit - puzzelen uit - puzzelen uit - puzzelen uit Imperfect - puzzelde uit - puzzelde uit - puzzelde uit - puzzelden uit - puzzelden uit - puzzelden uit Toekomende tijd I - zal uitpuzzelen - zult uitpuzzelen - zal uitpuzzelen - zullen uitpuzzelen - zullen uitpuzzelen - zullen uitpuzzelen Conditionalis I - zou uitpuzzelen - zou uitpuzzelen - zou uitpuzzelen - zouden uitpuzzelen - zouden uitpuzzelen - zouden uitpuzzelen Perfectum - heb uitgepuzzeld - hebt uitgepuzzeld - heeft uitgepuzzeld - hebben uitgepuzzeld - hebben uitgepuzzeld - hebben uitgepuzzeld Voltooid verleden tijd - had uitgepuzzeld - had uitgepuzzeld - had uitgepuzzeld - hadden uitgepuzzeld - hadden uitgepuzzeld - hadden uitgepuzzeld Toekomende tijd II - zal uitgepuzzeld hebben - zult uitgepuzzeld hebben - zal uitgepuzzeld hebben - zullen uitgepuzzeld hebben - zullen uitgepuzzeld hebben - zullen uitgepuzzeld hebben Conditionalis II - zou hebben uitgepuzzeld - zou hebben uitgepuzzeld - zou hebben uitgepuzzeld - zouden hebben uitgepuzzeld - zouden hebben uitgepuzzeld - zouden hebben uitgepuzzeld Imperatief - - - puzzel uit - - - - - puzzelt uit - -