Tegenwoordig en verleden deelwoord - uitkienend - uitgekiend Presens - kien uit - kient uit - kient uit - kienen uit - kienen uit - kienen uit Imperfect - kiende uit - kiende uit - kiende uit - kienden uit - kienden uit - kienden uit Toekomende tijd I - zal uitkienen - zult uitkienen - zal uitkienen - zullen uitkienen - zullen uitkienen - zullen uitkienen Conditionalis I - zou uitkienen - zou uitkienen - zou uitkienen - zouden uitkienen - zouden uitkienen - zouden uitkienen Perfectum - heb uitgekiend - hebt uitgekiend - heeft uitgekiend - hebben uitgekiend - hebben uitgekiend - hebben uitgekiend Voltooid verleden tijd - had uitgekiend - had uitgekiend - had uitgekiend - hadden uitgekiend - hadden uitgekiend - hadden uitgekiend Toekomende tijd II - zal uitgekiend hebben - zult uitgekiend hebben - zal uitgekiend hebben - zullen uitgekiend hebben - zullen uitgekiend hebben - zullen uitgekiend hebben Conditionalis II - zou hebben uitgekiend - zou hebben uitgekiend - zou hebben uitgekiend - zouden hebben uitgekiend - zouden hebben uitgekiend - zouden hebben uitgekiend Imperatief - - - kien uit - - - - - kient uit - -