Tegenwoordig en verleden deelwoord - aangaand - aangegaan Presens - ga aan - gaat aan - gaat aan - gaan aan - gaan aan - gaan aan Imperfect - ging aan - ging aan - ging aan - gingen aan - gingen aan - gingen aan Toekomende tijd I - zal aangaan - zult aangaan - zal aangaan - zullen aangaan - zullen aangaan - zullen aangaan Conditionalis I - zou aangaan - zou aangaan - zou aangaan - zouden aangaan - zouden aangaan - zouden aangaan Perfectum - heb aangegaan - hebt aangegaan - heeft aangegaan - hebben aangegaan - hebben aangegaan - hebben aangegaan Voltooid verleden tijd - had aangegaan - had aangegaan - had aangegaan - hadden aangegaan - hadden aangegaan - hadden aangegaan Toekomende tijd II - zal aangegaan hebben - zult aangegaan hebben - zal aangegaan hebben - zullen aangegaan hebben - zullen aangegaan hebben - zullen aangegaan hebben Conditionalis II - zou hebben aangegaan - zou hebben aangegaan - zou hebben aangegaan - zouden hebben aangegaan - zouden hebben aangegaan - zouden hebben aangegaan Imperatief - - - ga aan - - - - - gaat aan - -