Tegenwoordig en verleden deelwoord - ziedend - gezoden Presens - zied - ziedt - ziedt - zieden - zieden - zieden Imperfect - ziedde - ziedde - ziedde - ziedden - ziedden - ziedden Toekomende tijd I - zal zieden - zult zieden - zal zieden - zullen zieden - zullen zieden - zullen zieden Conditionalis I - zou zieden - zou zieden - zou zieden - zouden zieden - zouden zieden - zouden zieden Perfectum - heb gezoden - hebt gezoden - heeft gezoden - hebben gezoden - hebben gezoden - hebben gezoden Voltooid verleden tijd - had gezoden - had gezoden - had gezoden - hadden gezoden - hadden gezoden - hadden gezoden Toekomende tijd II - zal gezoden hebben - zult gezoden hebben - zal gezoden hebben - zullen gezoden hebben - zullen gezoden hebben - zullen gezoden hebben Conditionalis II - zou hebben gezoden - zou hebben gezoden - zou hebben gezoden - zouden hebben gezoden - zouden hebben gezoden - zouden hebben gezoden Imperatief - - - zied - - - - - ziedt - -