Tegenwoordig en verleden deelwoord - wijzend - gewezen Presens - wijs - wijst - wijst - wijzen - wijzen - wijzen Imperfect - wees - wees - wees - wezen - wezen - wezen Toekomende tijd I - zal wijzen - zult wijzen - zal wijzen - zullen wijzen - zullen wijzen - zullen wijzen Conditionalis I - zou wijzen - zou wijzen - zou wijzen - zouden wijzen - zouden wijzen - zouden wijzen Perfectum - heb gewezen - hebt gewezen - heeft gewezen - hebben gewezen - hebben gewezen - hebben gewezen Voltooid verleden tijd - had gewezen - had gewezen - had gewezen - hadden gewezen - hadden gewezen - hadden gewezen Toekomende tijd II - zal gewezen hebben - zult gewezen hebben - zal gewezen hebben - zullen gewezen hebben - zullen gewezen hebben - zullen gewezen hebben Conditionalis II - zou hebben gewezen - zou hebben gewezen - zou hebben gewezen - zouden hebben gewezen - zouden hebben gewezen - zouden hebben gewezen Imperatief - - - wijs - - - - - wijst - -