Tegenwoordig en verleden deelwoord - oppeppend - opgepept Presens - pep op - pept op - pept op - peppen op - peppen op - peppen op Imperfect - pepte op - pepte op - pepte op - pepten op - pepten op - pepten op Toekomende tijd I - zal oppeppen - zult oppeppen - zal oppeppen - zullen oppeppen - zullen oppeppen - zullen oppeppen Conditionalis I - zou oppeppen - zou oppeppen - zou oppeppen - zouden oppeppen - zouden oppeppen - zouden oppeppen Perfectum - heb opgepept - hebt opgepept - heeft opgepept - hebben opgepept - hebben opgepept - hebben opgepept Voltooid verleden tijd - had opgepept - had opgepept - had opgepept - hadden opgepept - hadden opgepept - hadden opgepept Toekomende tijd II - zal opgepept hebben - zult opgepept hebben - zal opgepept hebben - zullen opgepept hebben - zullen opgepept hebben - zullen opgepept hebben Conditionalis II - zou hebben opgepept - zou hebben opgepept - zou hebben opgepept - zouden hebben opgepept - zouden hebben opgepept - zouden hebben opgepept Imperatief - - - pep op - - - - - pept op - -