Tegenwoordig en verleden deelwoord - veroverend - veroverd Presens - verover - verovert - verovert - veroveren - veroveren - veroveren Imperfect - veroverde - veroverde - veroverde - veroverden - veroverden - veroverden Toekomende tijd I - zal veroveren - zult veroveren - zal veroveren - zullen veroveren - zullen veroveren - zullen veroveren Conditionalis I - zou veroveren - zou veroveren - zou veroveren - zouden veroveren - zouden veroveren - zouden veroveren Perfectum - heb veroverd - hebt veroverd - heeft veroverd - hebben veroverd - hebben veroverd - hebben veroverd Voltooid verleden tijd - had veroverd - had veroverd - had veroverd - hadden veroverd - hadden veroverd - hadden veroverd Toekomende tijd II - zal veroverd hebben - zult veroverd hebben - zal veroverd hebben - zullen veroverd hebben - zullen veroverd hebben - zullen veroverd hebben Conditionalis II - zou hebben veroverd - zou hebben veroverd - zou hebben veroverd - zouden hebben veroverd - zouden hebben veroverd - zouden hebben veroverd Imperatief - - - verover - - - - - verovert - -