Tegenwoordig en verleden deelwoord - verongelukkend - verongelukt Presens - verongeluk - verongelukt - verongelukt - verongelukken - verongelukken - verongelukken Imperfect - verongelukte - verongelukte - verongelukte - verongelukten - verongelukten - verongelukten Toekomende tijd I - zal verongelukken - zult verongelukken - zal verongelukken - zullen verongelukken - zullen verongelukken - zullen verongelukken Conditionalis I - zou verongelukken - zou verongelukken - zou verongelukken - zouden verongelukken - zouden verongelukken - zouden verongelukken Perfectum - ben verongelukt - bent verongelukt - is verongelukt - zijn verongelukt - zijn verongelukt - zijn verongelukt Voltooid verleden tijd - was verongelukt - was verongelukt - was verongelukt - waren verongelukt - waren verongelukt - waren verongelukt Toekomende tijd II - zal verongelukt zijn - zult verongelukt zijn - zal verongelukt zijn - zullen verongelukt zijn - zullen verongelukt zijn - zullen verongelukt zijn Conditionalis II - zou zijn verongelukt - zou zijn verongelukt - zou zijn verongelukt - zouden zijn verongelukt - zouden zijn verongelukt - zouden zijn verongelukt Imperatief - - - verongeluk - - - - - verongelukt - -