Tegenwoordig en verleden deelwoord - schakend - geschaakt Presens - schaak - schaakt - schaakt - schaken - schaken - schaken Imperfect - schaakte - schaakte - schaakte - schaakten - schaakten - schaakten Toekomende tijd I - zal schaken - zult schaken - zal schaken - zullen schaken - zullen schaken - zullen schaken Conditionalis I - zou schaken - zou schaken - zou schaken - zouden schaken - zouden schaken - zouden schaken Perfectum - heb geschaakt - hebt geschaakt - heeft geschaakt - hebben geschaakt - hebben geschaakt - hebben geschaakt Voltooid verleden tijd - had geschaakt - had geschaakt - had geschaakt - hadden geschaakt - hadden geschaakt - hadden geschaakt Toekomende tijd II - zal geschaakt hebben - zult geschaakt hebben - zal geschaakt hebben - zullen geschaakt hebben - zullen geschaakt hebben - zullen geschaakt hebben Conditionalis II - zou hebben geschaakt - zou hebben geschaakt - zou hebben geschaakt - zouden hebben geschaakt - zouden hebben geschaakt - zouden hebben geschaakt Imperatief - - - schaak - - - - - schaakt - -