Tegenwoordig en verleden deelwoord - roemend - geroemd Presens - roem - roemt - roemt - roemen - roemen - roemen Imperfect - roemde - roemde - roemde - roemden - roemden - roemden Toekomende tijd I - zal roemen - zult roemen - zal roemen - zullen roemen - zullen roemen - zullen roemen Conditionalis I - zou roemen - zou roemen - zou roemen - zouden roemen - zouden roemen - zouden roemen Perfectum - heb geroemd - hebt geroemd - heeft geroemd - hebben geroemd - hebben geroemd - hebben geroemd Voltooid verleden tijd - had geroemd - had geroemd - had geroemd - hadden geroemd - hadden geroemd - hadden geroemd Toekomende tijd II - zal geroemd hebben - zult geroemd hebben - zal geroemd hebben - zullen geroemd hebben - zullen geroemd hebben - zullen geroemd hebben Conditionalis II - zou hebben geroemd - zou hebben geroemd - zou hebben geroemd - zouden hebben geroemd - zouden hebben geroemd - zouden hebben geroemd Imperatief - - - roem - - - - - roemt - -