Tegenwoordig en verleden deelwoord - leeghalend - leeggehaald Presens - haal leeg - haalt leeg - haalt leeg - halen leeg - halen leeg - halen leeg Imperfect - haalde leeg - haalde leeg - haalde leeg - haalden leeg - haalden leeg - haalden leeg Toekomende tijd I - zal leeghalen - zult leeghalen - zal leeghalen - zullen leeghalen - zullen leeghalen - zullen leeghalen Conditionalis I - zou leeghalen - zou leeghalen - zou leeghalen - zouden leeghalen - zouden leeghalen - zouden leeghalen Perfectum - heb leeggehaald - hebt leeggehaald - heeft leeggehaald - hebben leeggehaald - hebben leeggehaald - hebben leeggehaald Voltooid verleden tijd - had leeggehaald - had leeggehaald - had leeggehaald - hadden leeggehaald - hadden leeggehaald - hadden leeggehaald Toekomende tijd II - zal leeggehaald hebben - zult leeggehaald hebben - zal leeggehaald hebben - zullen leeggehaald hebben - zullen leeggehaald hebben - zullen leeggehaald hebben Conditionalis II - zou hebben leeggehaald - zou hebben leeggehaald - zou hebben leeggehaald - zouden hebben leeggehaald - zouden hebben leeggehaald - zouden hebben leeggehaald Imperatief - - - haal leeg - - - - - haalt leeg - -