Download Free PDF- Traveldictionaries

- usable on android, iphone, smartphone, pc, apple, linux, tablet, usb ...

DUITS
geneeskunde [v]
- infizieren
ENGELS
geneeskunde [v]
- infect
FRANS
geneeskunde [v]
- infecter
ITALIAANS
geneeskunde [v]
- infettare
SPAANS
geneeskunde [v]
- infectar
ZWEEDS
geneeskunde [v]
- infektera
PORTUGEES
geneeskunde [v]
- infectar
THESAURUS
aansteken [v]
- besmetten
besmetten [v]
- aansteken
- aantasten
overbrengen [v]
- besmetten
WERKWOORD
Tegenwoordig en verleden deelwoord
- infecterend
- geïnfecteerd
Presens
- infecteer
- infecteert
- infecteert
- infecteren
- infecteren
- infecteren
Imperfect
- infecteerde
- infecteerde
- infecteerde
- infecteerden
- infecteerden
- infecteerden
Toekomende tijd I
- zal infecteren
- zult infecteren
- zal infecteren
- zullen infecteren
- zullen infecteren
- zullen infecteren
Conditionalis I
- zou infecteren
- zou infecteren
- zou infecteren
- zouden infecteren
- zouden infecteren
- zouden infecteren
Perfectum
- heb geïnfecteerd
- hebt geïnfecteerd
- heeft geïnfecteerd
- hebben geïnfecteerd
- hebben geïnfecteerd
- hebben geïnfecteerd
Voltooid verleden tijd
- had geïnfecteerd
- had geïnfecteerd
- had geïnfecteerd
- hadden geïnfecteerd
- hadden geïnfecteerd
- hadden geïnfecteerd
Toekomende tijd II
- zal geïnfecteerd hebben
- zult geïnfecteerd hebben
- zal geïnfecteerd hebben
- zullen geïnfecteerd hebben
- zullen geïnfecteerd hebben
- zullen geïnfecteerd hebben
Conditionalis II
- zou hebben geïnfecteerd
- zou hebben geïnfecteerd
- zou hebben geïnfecteerd
- zouden hebben geïnfecteerd
- zouden hebben geïnfecteerd
- zouden hebben geïnfecteerd
Imperatief
- -
- infecteer
- -
- -
- infecteert
- -
Impressum          Home           Multilingual Databases             PDF-Dictionaries