Tegenwoordig en verleden deelwoord - gespend - gegespt Presens - gesp - gespt - gespt - gespen - gespen - gespen Imperfect - gespte - gespte - gespte - gespten - gespten - gespten Toekomende tijd I - zal gespen - zult gespen - zal gespen - zullen gespen - zullen gespen - zullen gespen Conditionalis I - zou gespen - zou gespen - zou gespen - zouden gespen - zouden gespen - zouden gespen Perfectum - heb gegespt - hebt gegespt - heeft gegespt - hebben gegespt - hebben gegespt - hebben gegespt Voltooid verleden tijd - had gegespt - had gegespt - had gegespt - hadden gegespt - hadden gegespt - hadden gegespt Toekomende tijd II - zal gegespt hebben - zult gegespt hebben - zal gegespt hebben - zullen gegespt hebben - zullen gegespt hebben - zullen gegespt hebben Conditionalis II - zou hebben gegespt - zou hebben gegespt - zou hebben gegespt - zouden hebben gegespt - zouden hebben gegespt - zouden hebben gegespt Imperatief - - - gesp - - - - - gespt - -