Tegenwoordig en verleden deelwoord - bevolkend - bevolkt Presens - bevolk - bevolkt - bevolkt - bevolken - bevolken - bevolken Imperfect - bevolkte - bevolkte - bevolkte - bevolkten - bevolkten - bevolkten Toekomende tijd I - zal bevolken - zult bevolken - zal bevolken - zullen bevolken - zullen bevolken - zullen bevolken Conditionalis I - zou bevolken - zou bevolken - zou bevolken - zouden bevolken - zouden bevolken - zouden bevolken Perfectum - heb bevolkt - hebt bevolkt - heeft bevolkt - hebben bevolkt - hebben bevolkt - hebben bevolkt Voltooid verleden tijd - had bevolkt - had bevolkt - had bevolkt - hadden bevolkt - hadden bevolkt - hadden bevolkt Toekomende tijd II - zal bevolkt hebben - zult bevolkt hebben - zal bevolkt hebben - zullen bevolkt hebben - zullen bevolkt hebben - zullen bevolkt hebben Conditionalis II - zou hebben bevolkt - zou hebben bevolkt - zou hebben bevolkt - zouden hebben bevolkt - zouden hebben bevolkt - zouden hebben bevolkt Imperatief - - - bevolk - - - - - bevolkt - -