Tegenwoordig en verleden deelwoord - wegend - gewogen Presens - weeg - weegt - weegt - wegen - wegen - wegen Imperfect - woog - woog - woog - wogen - wogen - wogen Toekomende tijd I - zal wegen - zult wegen - zal wegen - zullen wegen - zullen wegen - zullen wegen Conditionalis I - zou wegen - zou wegen - zou wegen - zouden wegen - zouden wegen - zouden wegen Perfectum - heb gewogen - hebt gewogen - heeft gewogen - hebben gewogen - hebben gewogen - hebben gewogen Voltooid verleden tijd - had gewogen - had gewogen - had gewogen - hadden gewogen - hadden gewogen - hadden gewogen Toekomende tijd II - zal gewogen hebben - zult gewogen hebben - zal gewogen hebben - zullen gewogen hebben - zullen gewogen hebben - zullen gewogen hebben Conditionalis II - zou hebben gewogen - zou hebben gewogen - zou hebben gewogen - zouden hebben gewogen - zouden hebben gewogen - zouden hebben gewogen Imperatief - - - weeg - - - - - weegt - -