Tegenwoordig en verleden deelwoord - verhaastend - verhaast Presens - verhaast - verhaast - verhaast - verhaasten - verhaasten - verhaasten Imperfect - verhaastte - verhaastte - verhaastte - verhaastten - verhaastten - verhaastten Toekomende tijd I - zal verhaasten - zult verhaasten - zal verhaasten - zullen verhaasten - zullen verhaasten - zullen verhaasten Conditionalis I - zou verhaasten - zou verhaasten - zou verhaasten - zouden verhaasten - zouden verhaasten - zouden verhaasten Perfectum - heb verhaast - hebt verhaast - heeft verhaast - hebben verhaast - hebben verhaast - hebben verhaast Voltooid verleden tijd - had verhaast - had verhaast - had verhaast - hadden verhaast - hadden verhaast - hadden verhaast Toekomende tijd II - zal verhaast hebben - zult verhaast hebben - zal verhaast hebben - zullen verhaast hebben - zullen verhaast hebben - zullen verhaast hebben Conditionalis II - zou hebben verhaast - zou hebben verhaast - zou hebben verhaast - zouden hebben verhaast - zouden hebben verhaast - zouden hebben verhaast Imperatief - - - verhaast - - - - - verhaast - -