stappen [v] gaan staan [v]
- staan schoppen [v]
- treffen fietsen [v]
WERKWOORD
Tegenwoordig en verleden deelwoord - trappend - getrapt Presens - trap - trapt - trapt - trappen - trappen - trappen Imperfect - trapte - trapte - trapte - trapten - trapten - trapten Toekomende tijd I - zal trappen - zult trappen - zal trappen - zullen trappen - zullen trappen - zullen trappen Conditionalis I - zou trappen - zou trappen - zou trappen - zouden trappen - zouden trappen - zouden trappen Perfectum - heb getrapt - hebt getrapt - heeft getrapt - hebben getrapt - hebben getrapt - hebben getrapt Voltooid verleden tijd - had getrapt - had getrapt - had getrapt - hadden getrapt - hadden getrapt - hadden getrapt Toekomende tijd II - zal getrapt hebben - zult getrapt hebben - zal getrapt hebben - zullen getrapt hebben - zullen getrapt hebben - zullen getrapt hebben Conditionalis II - zou hebben getrapt - zou hebben getrapt - zou hebben getrapt - zouden hebben getrapt - zouden hebben getrapt - zouden hebben getrapt Imperatief - - - trap - - - - - trapt - -