Tegenwoordig en verleden deelwoord - ontluizend - ontluisd Presens - ontluis - ontluist - ontluist - ontluizen - ontluizen - ontluizen Imperfect - ontluisde - ontluisde - ontluisde - ontluisden - ontluisden - ontluisden Toekomende tijd I - zal ontluizen - zult ontluizen - zal ontluizen - zullen ontluizen - zullen ontluizen - zullen ontluizen Conditionalis I - zou ontluizen - zou ontluizen - zou ontluizen - zouden ontluizen - zouden ontluizen - zouden ontluizen Perfectum - heb ontluisd - hebt ontluisd - heeft ontluisd - hebben ontluisd - hebben ontluisd - hebben ontluisd Voltooid verleden tijd - had ontluisd - had ontluisd - had ontluisd - hadden ontluisd - hadden ontluisd - hadden ontluisd Toekomende tijd II - zal ontluisd hebben - zult ontluisd hebben - zal ontluisd hebben - zullen ontluisd hebben - zullen ontluisd hebben - zullen ontluisd hebben Conditionalis II - zou hebben ontluisd - zou hebben ontluisd - zou hebben ontluisd - zouden hebben ontluisd - zouden hebben ontluisd - zouden hebben ontluisd Imperatief - - - ontluis - - - - - ontluist - -