omgeven [v] insluiten [v]
- omsingelen aanwezig zijn [v]
WERKWOORD
Tegenwoordig en verleden deelwoord - omringend - omringd Presens - omring - omringt - omringt - omringen - omringen - omringen Imperfect - omringde - omringde - omringde - omringden - omringden - omringden Toekomende tijd I - zal omringen - zult omringen - zal omringen - zullen omringen - zullen omringen - zullen omringen Conditionalis I - zou omringen - zou omringen - zou omringen - zouden omringen - zouden omringen - zouden omringen Perfectum - heb omringd - hebt omringd - heeft omringd - hebben omringd - hebben omringd - hebben omringd Voltooid verleden tijd - had omringd - had omringd - had omringd - hadden omringd - hadden omringd - hadden omringd Toekomende tijd II - zal omringd hebben - zult omringd hebben - zal omringd hebben - zullen omringd hebben - zullen omringd hebben - zullen omringd hebben Conditionalis II - zou hebben omringd - zou hebben omringd - zou hebben omringd - zouden hebben omringd - zouden hebben omringd - zouden hebben omringd Imperatief - - - omring - - - - - omringt - -