Tegenwoordig en verleden deelwoord - inzegenend - ingezegend Presens - zegen in - zegent in - zegent in - zegenen in - zegenen in - zegenen in Imperfect - zegende in - zegende in - zegende in - zegenden in - zegenden in - zegenden in Toekomende tijd I - zal inzegenen - zult inzegenen - zal inzegenen - zullen inzegenen - zullen inzegenen - zullen inzegenen Conditionalis I - zou inzegenen - zou inzegenen - zou inzegenen - zouden inzegenen - zouden inzegenen - zouden inzegenen Perfectum - heb ingezegend - hebt ingezegend - heeft ingezegend - hebben ingezegend - hebben ingezegend - hebben ingezegend Voltooid verleden tijd - had ingezegend - had ingezegend - had ingezegend - hadden ingezegend - hadden ingezegend - hadden ingezegend Toekomende tijd II - zal ingezegend hebben - zult ingezegend hebben - zal ingezegend hebben - zullen ingezegend hebben - zullen ingezegend hebben - zullen ingezegend hebben Conditionalis II - zou hebben ingezegend - zou hebben ingezegend - zou hebben ingezegend - zouden hebben ingezegend - zouden hebben ingezegend - zouden hebben ingezegend Imperatief - - - zegen in - - - - - zegent in - -