Tegenwoordig en verleden deelwoord - bescheidend - bescheiden Presens - bescheid - bescheidt - bescheidt - bescheiden - bescheiden - bescheiden Imperfect - bescheidde - bescheidde - bescheidde - bescheidden - bescheidden - bescheidden Toekomende tijd I - zal bescheiden - zult bescheiden - zal bescheiden - zullen bescheiden - zullen bescheiden - zullen bescheiden Conditionalis I - zou bescheiden - zou bescheiden - zou bescheiden - zouden bescheiden - zouden bescheiden - zouden bescheiden Perfectum - heb bescheiden - hebt bescheiden - heeft bescheiden - hebben bescheiden - hebben bescheiden - hebben bescheiden Voltooid verleden tijd - had bescheiden - had bescheiden - had bescheiden - hadden bescheiden - hadden bescheiden - hadden bescheiden Toekomende tijd II - zal bescheiden hebben - zult bescheiden hebben - zal bescheiden hebben - zullen bescheiden hebben - zullen bescheiden hebben - zullen bescheiden hebben Conditionalis II - zou hebben bescheiden - zou hebben bescheiden - zou hebben bescheiden - zouden hebben bescheiden - zouden hebben bescheiden - zouden hebben bescheiden Imperatief - - - bescheid - - - - - bescheidt - -