Tegenwoordig en verleden deelwoord - afschuttend - afgeschut Presens - schut af - schut af - schut af - schutten af - schutten af - schutten af Imperfect - schutte af - schutte af - schutte af - schutten af - schutten af - schutten af Toekomende tijd I - zal afschutten - zult afschutten - zal afschutten - zullen afschutten - zullen afschutten - zullen afschutten Conditionalis I - zou afschutten - zou afschutten - zou afschutten - zouden afschutten - zouden afschutten - zouden afschutten Perfectum - heb afgeschut - hebt afgeschut - heeft afgeschut - hebben afgeschut - hebben afgeschut - hebben afgeschut Voltooid verleden tijd - had afgeschut - had afgeschut - had afgeschut - hadden afgeschut - hadden afgeschut - hadden afgeschut Toekomende tijd II - zal afgeschut hebben - zult afgeschut hebben - zal afgeschut hebben - zullen afgeschut hebben - zullen afgeschut hebben - zullen afgeschut hebben Conditionalis II - zou hebben afgeschut - zou hebben afgeschut - zou hebben afgeschut - zouden hebben afgeschut - zouden hebben afgeschut - zouden hebben afgeschut Imperatief - - - schut af - - - - - schut af - -