Download Free PDF- Traveldictionaries

- usable on android, iphone, smartphone, pc, apple, linux, tablet, usb ...

DUITS
ENGELS
FRANS
ITALIAANS
SPAANS
subject [v]
- concluir
- finalizar
- terminar
ZWEEDS
subject [v]
- avgöra
- göra upp
- slutföra
PORTUGEES
THESAURUS
afdoen [v]
- afwerken
- regelen
WERKWOORD
Tegenwoordig en verleden deelwoord
- afhandelend
- afgehandeld
Presens
- handel af
- handelt af
- handelt af
- handelen af
- handelen af
- handelen af
Imperfect
- handelde af
- handelde af
- handelde af
- handelden af
- handelden af
- handelden af
Toekomende tijd I
- zal afhandelen
- zult afhandelen
- zal afhandelen
- zullen afhandelen
- zullen afhandelen
- zullen afhandelen
Conditionalis I
- zou afhandelen
- zou afhandelen
- zou afhandelen
- zouden afhandelen
- zouden afhandelen
- zouden afhandelen
Perfectum
- heb afgehandeld
- hebt afgehandeld
- heeft afgehandeld
- hebben afgehandeld
- hebben afgehandeld
- hebben afgehandeld
Voltooid verleden tijd
- had afgehandeld
- had afgehandeld
- had afgehandeld
- hadden afgehandeld
- hadden afgehandeld
- hadden afgehandeld
Toekomende tijd II
- zal afgehandeld hebben
- zult afgehandeld hebben
- zal afgehandeld hebben
- zullen afgehandeld hebben
- zullen afgehandeld hebben
- zullen afgehandeld hebben
Conditionalis II
- zou hebben afgehandeld
- zou hebben afgehandeld
- zou hebben afgehandeld
- zouden hebben afgehandeld
- zouden hebben afgehandeld
- zouden hebben afgehandeld
Imperatief
- -
- handel af
- -
- -
- handelt af
- -
Impressum          Home           Multilingual Databases             PDF-Dictionaries