Tegenwoordig en verleden deelwoord - aaiend - geaaid Presens - aai - aait - aait - aaien - aaien - aaien Imperfect - aaide - aaide - aaide - aaiden - aaiden - aaiden Toekomende tijd I - zal aaien - zult aaien - zal aaien - zullen aaien - zullen aaien - zullen aaien Conditionalis I - zou aaien - zou aaien - zou aaien - zouden aaien - zouden aaien - zouden aaien Perfectum - heb geaaid - hebt geaaid - heeft geaaid - hebben geaaid - hebben geaaid - hebben geaaid Voltooid verleden tijd - had geaaid - had geaaid - had geaaid - hadden geaaid - hadden geaaid - hadden geaaid Toekomende tijd II - zal geaaid hebben - zult geaaid hebben - zal geaaid hebben - zullen geaaid hebben - zullen geaaid hebben - zullen geaaid hebben Conditionalis II - zou hebben geaaid - zou hebben geaaid - zou hebben geaaid - zouden hebben geaaid - zouden hebben geaaid - zouden hebben geaaid Imperatief - - - aai - - - - - aait - -